logo woningaanpassing info en advies home
Het Stappenplan Het Pve Het Voorbeeld Het Advies De Regels De Rest
home


Wetteksten.
Home.
(Terug)
Sitemap.
Contact.

adverteren


Bestel de infomap !

alle info van deze site
overzichtelijk met
de laatste aanvullingen.

Wet voorzieningen gehandicapten (WVG)

Geschiedenis: Staatsblad 1997, 162; Staatsblad 1997, 510; Staatsblad 1997, 660; Staatsblad 1997, 768; Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1998, 459; Staatsblad 1998, 742; Staatsblad 1999, 30; Staatsblad 1999, 598; Staatsblad 2000, 238

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het vanuit een oogmerk van doelmatigheid wenselijk is de verstrekking van woonvoorzieningen op grond van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten en leefvoorzieningen alsmede genees- en heelkundige voorzieningen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet te beŽindigen, en de gemeenten te belasten met de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen en aldus mede te bevorderen dat personen van 65 jaar en ouder geleidelijk en op passende wijze in aanmerking kunnen worden gebracht voor voorzieningen die thans krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet in beginsel uitsluitend worden verstrekt aan personen onder de 65 jaar;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: Kamerstukken II 1992/93, 22815 Handelingen II 1992/93, blz. 4786-4831; 4847-4872; 4897-4937; 4944-4946 Kamerstukken I 1992/93, 22815 (274, 274a, 274b, 274c, 274d, 274e, 274f, 274g); 1993/94, 22815 (1, 1a, 1b, 1c, 1d, 1e) Handelingen I 1993/94, zie vergadering d.d. 28 september 1993 en 5 oktober 1993

ß 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. een gehandicapte: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek aantoonbare beperkingen ondervindt op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen;

b. woonruimte:

1. een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden;

2. een woonwagen als bedoeld in de Woningwet;

3. een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet;

4. een verblijf van een binnenschip;

c. woonvoorziening: elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt indien de voorziening:

1. gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen; of

2. een uitraasruimte betreft.

d. vervoersvoorziening: een voorziening die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het vervoer buitenshuis ondervindt;

e. uitraasruimte: een verblijfsruimte waarin een gehandicapte die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich kan afzonderen of tot rust kan komen.

2. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:

a. echtgenoot: geregistreerde partner;

b. gehuwd: als partner geregistreerd.

3. Voor de toepassing van deze wet en van de tot haar uitvoering genomen besluiten wordt:

a. als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad;

b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

4. Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5. Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

d. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid.

6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel d.

7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het vierde lid.

Artikel 1a

1. Het gemeentebestuur stelt bij verordening regels vast, die zijn gericht op de realisatie en de vormgeving van cliŽntenparticipatie bij de uitvoering van de wet met inachtneming van artikel 150 van de Gemeentewet.

2. In deze verordening worden ten minste geregeld:

a. dat de reikwijdte van de cliŽntenparticipatie betrekking heeft op het integrale gemeentelijke gehandicaptenbeleid;

b. dat de gemeentebesturen tijdig advies vragen aan de lokale platforms over wijziging in de verordening en uitvoeringsregelingen;

c. welke faciliteiten het gemeentebestuur beschikbaar stelt aan de lokale platforms.

ß 2. De voorzieningen

Artikel 2

1. Het gemeentebestuur draagt zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1992, 392) is toegelaten.

3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met betrekking tot het tweede lid afwijkende regels stellen.

Artikel 3

Het gemeentebestuur biedt verantwoorde voorzieningen aan. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliŽntgericht worden verleend.

Artikel 4

1. Een vreemdeling kan voor de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorzieningen slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet, in aanmerking kunnen komen voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onverminderd de overige vereisten voor de toekenning van een voorziening:

a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, of

b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 5

1. De verordening, bedoeld in artikel 2, eerste lid, bevat in ieder geval regels met betrekking tot:

a. de gevallen en de vorm waarin voorzieningen kunnen worden verleend, waarbij wordt bepaald dat woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan f 100 000,- (tegenwoordig: Ä 45.378,-) niet worden verleend, tenzij weigering van die voorziening gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard;

b. de hoogte van de financiŽle tegemoetkomingen;

c. de procedure met betrekking tot de toekenning, de herziening, de beŽindiging en de terugvordering van voorzieningen, daaronder begrepen het inwinnen van deskundigenadvies;

d. de gronden waarop voorzieningen kunnen worden beŽindigd, dan wel teruggevorderd.

2. De hoogte van de financiŽle tegemoetkomingen kan worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot. Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van de gehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan in aanmerking worden genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van de gehandicapte, dan wel indien de gehandicapte een pleegkind is, het gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden.

3. Een financiŽle tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte.

4. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels stellen met betrekking tot de financiŽle tegemoetkomingen.

5. Op de financiŽle tegemoetkomingen is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

6. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, onder a, kan door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, met ingang van een kalenderjaar worden gewijzigd, indien daartoe aanleiding bestaat als gevolg van de ontwikkeling van de prijzen van bouwkundige of woontechnische ingrepen in of aan de woning.

Artikel 6

1. Het gemeentebestuur kan bij verordening bepalen dat de gehandicapte, voor zover de voorziening niet bestaat uit een aan hem verleende financiŽle tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan worden afgestemd op het inkomen van de gehandicapte en zijn echtgenoot. Ten aanzien van de vaststelling van het inkomen van de gehandicapte die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan in aanmerking worden genomen het gezamenlijk inkomen van de ouders van de gehandicapte, dan wel indien de gehandicapte een pleegkind is, het gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien laatstgenoemden het pleegkind als een eigen kind opvoeden en onderhouden.

3. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, regels stellen met betrekking tot de eigen bijdragen.

Artikel 7

Het gemeentebestuur kan de gehandicapte, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een voorziening, oproepen in persoon te verschijnen en zich door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen onderzoeken.

Artikel 8

1. Alvorens op een aanvraag van een woonvoorziening waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan f 45 000,- te besluiten, wint het gemeentebestuur omtrent de noodzaak van deze voorziening advies in van het orgaan, bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is op in die maatregel aan te wijzen voorzieningen.

3. Een krachtens het tweede lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 9

Roerende zaken, voor de aanschaf waarvan krachtens deze wet een financiŽle vergoeding is verleend, dan wel die krachtens deze wet in eigendom of bruikleen zijn verleend, zijn niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, zolang die roerende zaken geschikt zijn om de beperkingen van de gehandicapte op het gebied van het wonen of van het zich binnen of buiten de woning verplaatsen op te heffen of te verminderen. Elk beding strijdig met dit artikel is nietig.

Artikel 10

Onze Minister van Defensie is bevoegd uit eigen beweging en desgevraagd verplicht, kosteloos, uit de door of namens hem gevoerde administratie, aan de gemeentebesturen die gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 10a

1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan ten laste van 's Rijks kas aan de gemeente een uitkering verstrekken in de kosten van:

a. voorzieningen aan gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is toegelaten;

b. woonvoorzieningen waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan f 45 000,- (tegenwoordig: Ä 20.420,-).

2. Met betrekking tot het eerste lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen categorieŽn gemeenten.

Artikel 10b

1. Het gemeentebestuur verstrekt desgevraagd kosteloos aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de gegevens die hij met betrekking tot deze wet nodig heeft.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van de in het eerste lid bedoelde gegevens.

Artikel 11

1. Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel 1, derde tot en met zevende lid, en de daarop berustende bepalingen.

2. Op dit beroep zijn de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen de uitspraken van de gerechtshoven inzake beroepen in belastingzaken van overeenkomstige toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.

ß 3. Wijzigingen in andere wetten en regelingen

Artikel 12

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 13 t/m artikel 21: [Bevatten wijzigingen in andere regelgeving.]

ß 4. Evaluatie

Artikel 22

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze wet, en vervolgens binnen drie jaar daarna, aan de Staten-Generaal een verslag over de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen krachtens deze wet.

ß 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 23

1. Indien in het kader van de uitvoering van artikel 57, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, of artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, dan wel artikel P 8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet terzake van de verstrekking van een hulpmiddel een overeenkomst van bruikleen is gesloten, wordt de verstrekking van dat hulpmiddel, gedurende de nog resterende looptijd van de overeenkomst, dan wel, indien de gebruiksduur van het hulpmiddel korter is dan de resterende looptijd van de overeenkomst, tot het einde van die gebruiksduur, beheerst door de regels zoals die luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel 12 van deze wet.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de periodieke vergoeding die op grond van artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet aan de gehandicapte wordt verleend voor de kosten van aanschaf en onderhoud van een vervoermiddel.

Artikel 24

Aan de gehandicapte aan wie over de periode onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, krachtens artikel 57, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, of krachtens artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, of krachtens artikel P 8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, dan wel krachtens artikel X5, eerste en tweede lid, van de Algemene militaire pensioenwet een financiŽle tegemoetkoming is verleend in de kosten van het gebruik van een vervoermiddel, wordt desgevraagd door het gemeentebestuur ook over de jaren 1994 en 1995 een financiŽle tegemoetkoming verleend, tenzij in de verordening als bedoeld in artikel 5, eerste lid, anders wordt bepaald.

Artikel 25

De bepalingen bij of krachtens artikel 7 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals die bepalingen luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op de beroepsmilitair die is ontslagen, anders dan uit hoofde van invaliditeit met dienstverband, en die op grond van de regeling geneeskundige verzorging gepensioneerde militairen KL/Klu (Stb. 1962, 241), dan wel op de voet van die regeling, in aanmerking is gebracht voor genees- en heelkundige voorzieningen.

Artikel 26

Voor de datum van inwerkingtreding van deze wet ingediende aanvragen voor een voorziening als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, of artikel P 9, tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet, of artikel P 8, tweede lid, van de Spoorwegpensioenwet, dan wel artikel X5, eerste en tweede lid, van de Algemene militaire pensioenwet worden afgehandeld op basis van de regels zoals die luidden onmiddellijk voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat geen financiŽle tegemoetkoming wordt verleend over een periode gelegen na de datum van inwerkingtreding van deze wet.

Artikel 27

Indien het bij koninklijke boodschap van 6 november 1992 ingediende voorstel van Wet, houdende wettelijke regeling van aanspraak op zorg in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en wijziging van enige andere wetten tot wet wordt verheven en in werking treedt, komt artikel 2 tweede lid, als volgt te luiden:

2. Het eerste lid is niet van toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling, die een of meer vormen van zorg omschreven krachtens artikel 6a en in de artikelen 6k tot en met 6n van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1992, 392), verlenen.

Artikel 28

[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

Artikel 29

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet voorzieningen gehandicapten.

Artikel 30

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen, onderdelen daarvan of voor de verlening van onderscheidenlijk de woonvoorzieningen, de vervoersvoorzieningen of de rolstoelen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 7 oktober 1993

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. Wallage

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

E. Heerma

De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,

H. J. Simons

Uitgegeven de tweede november 1993

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

logo adres top


Please change "fontsize" in your browser if page looks corrupted.
Site design and copyright by Ir Grootveld / Blinksoft.